Huizen en Hoven: ouderlijk huis

Een door mij gewaardeerde blogger is een serie aan het schrijven getiteld ‘huizen van vroeger’. Aan de hand van de huizen waarin hij gewoond heeft leidt hij je door zijn roerige verleden. Dit idee spreekt de lifesurfer in mij  zodanig aan dat ik hem al heb aangekondigd dat ik het ga jatten. Zo denk ik bijvoorbeeld nooit in jaartallen, maar in huizen als ik iets wil oprakelen uit het verleden. En dan kom ik ook nog eens uit een familie die zichzelf groot heeft gemaakt in de huizenbouw.

Huizen zijn havens, veilig en vol met gemakken, althans dat hóren ze te zijn. Huizen zijn hulzen, die feilloos, ruim of te krap om je heenvallen. Huizen zijn een afspiegeling van wie je bent. Mijn huizen hebben vaak laten zien waar ik op dat moment in mijn leven stond. Soms zocht ik een cocon in een angstige tijd en vond een halve woning 2 hoog achter, met een slaapkamer als een iets te krappe kast. Soms zocht ik de ruimte en vond een monumentaal grachtenpand waar ik weinig meer plaatste dan een tafel en een bed. Weer later werd de leegte teveel van het goede en wilde ik iets met kamertjes in een vertrouwd jaren ’30 huis. En al mijn herinneringen aan gebeurtenissen in mijn leven zijn gekoppeld aan de huizen waar ik toen woonde.

Als kind heb ik met mijn ouders eigenlijk alleen maar in twee huizen gewoond en van het eerste huis weet ik me absoluut niets meer te herinneren. Ik was 4 jaar toen we gingen verhuizen van de Parnassusweg naar de Minervalaan en volgens mijn moeder was ik daardoor erg van slag. Ik sloot me regelmatig op in de wc, waar ik dan staarde naar de onleesbare teksten op de verjaardagskalender. Dit was de enige plek waar ik (volgens mijn ouders) zat te zingen. Lekker veilig klein, vertrouwd interieur, haha! Maar een ander geliefd hoekje was ook de vensterbank die uitkeek op de straat, vaak met de gordijnen half achter mijn rug dichtgetrokken keek ik dan de katten uit de bomen.

Ons ouderlijk huis op de Minervalaan was groot. Toen we er gingen wonen waren we nog met z’n vijven, later werd mijn broertje geboren en waren we met zes, hoewel mijn oudste zus toen al weer bijna uit huis ging. Mijn familie ‘deed’ in huizen. Mijn grootvader was in de voetsporen van zijn vader getreden en had met zijn broers, aannemers in Medemblik en Amsterdam, het familiebedrijf  ‘Woningbouw Gebr. Wajer’ opgericht. Wat begon met de bouw van één huis in 1924, breidde zich in de loop der jaren, gestimuleerd door de financiële steun van rijksoverheid (premieregeling van 1921, Plan Zuid-Plan Berlage), uit tot een imposant imperium in 1940 van ruim 900 woningen in Amsterdam Zuid en West.

Aan mijn vader werd niet gevraagd of hij in het familiebedrijf wilde werken, dat werd gewoon afgedwongen. En voor een belachelijk hongerloontje werd hij te werk gesteld, eerst in de bouw, later op kantoor. Als ‘huisbaas’ moest hij in de dure eigen wijk wonen, waar ze ook kantoor hielden. Vandaar dat de familie ging wonen aan de Minervalaan en wel op het hoekhuis van nr. 26, vlakbij het kantoor in de Gerrit van der Veenstraat.

We woonden boven de buurtwinkel van de familie Evers, een kleine kruidenier waar je altijd van alles kon halen. Later kwam De Gruijter of Simon de Wit aan de overkant. Daar had je ook een bakker, een kaasboer, groenteman, kippenboer en een drogist. Nu is er in die hele straat al jaren lang geen winkel meer te vinden. Wel staat het Hilton Hotel nog steeds op de kop van de straat, aan de Apollolaan. Wat een opwinding was dat toen John en Yoko daar in 1969 hun ‘Bed Peace’ hielden! Elke dag probeerde ik samen met een vriendin, fietsend van school,  naar binnen te komen. Eén keer is het gelukt om beneden in de foyer te geraken, waar we ons verdekt hebben opgesteld bij een warm haardvuur om te zien of we een glimp van het beroemde stel konden opvangen. Maar die kwamen natuurlijk voor ons hun bed niet uit..

Ik had niet veel op met de buurt. Ik had er wel wat vriendjes en vriendinnetjes in de straat wonen waarmee we trefbal speelden of knikkerden. De scholen die we bezochten moesten natuurlijk ook allemaal keurig en katholiek zijn. Veel plezier of profijt heb ik daar niet van gehad! Ik was een lastige puber in de roerige periode van eind jaren ’60 begin ’70. Ik begon me te schamen voor mijn ouders en hun ‘burgerlijke’ huis met automatische blikopener (mijn vader was dol op electronica en gadgets). Was ik als kind nog gebiologeerd door mijn vader die met zijn dubbele loep op aan radio’s, televisies en treintafels zat te knutselen, later ging het botsen. Mijn ouders waren indertijd nog heel ouderwets, vooral mijn vader kon niet meegaan in de tijd en was daar erg absoluut over. Er waren veel spanningen in huis, mijn vader moest zijn frustraties over het ongewenst werken in de familiezaak ergens kwijt. Maar hij was eigenlijk een heel zachtaardig mens. Fysiek gewelddadig was hij nooit, wel altijd ‘nadrukkelijk aanwezig’. Als hij thuis kwam ging de radio met popmuziek uit. De televisie stond alleen aan voor programma’s die hij goedkeurde, anders stond hij doodleuk op en draaide de knop om, ons verbijsterd en gefrustreerd achterlatend. Gewoon iemand met oude waarden, respect dwing je af. Net zoals zijn vader dat had gedaan.

Mijn broertje had wel vriendjes in de straat. Een daarvan was de onfortuinlijke Basje Bloemena. Een vrolijk mooi blond jochie, die op de laatste dag dat zijn ouders hem levend gezien hebben zei dat hij bij mijn broertje ging spelen. Wij waren dat weekend niet thuis en Basje is ontvoerd, misbruikt en vermoord door, naar later bleek, de ‘Donald Duck man, die ook altijd bij ons aan de deur kwam met de Okkie en de Taptoe (de katholiek verantwoorde jeugdbladen). Dat waren vreselijke tijden van angst, walging en ongeloof in onze buurt en heeft diepe sporen nagelaten.

Na veel van scholen te hebben gewisseld en gezakt voor mijn eindexamen HAVO werd ik nog even overgehaald om te proberen het staatsexamen te halen in diezelfde zomer. Ik was al twee keer blijven zitten op de middelbare school (‘ze kàn het wel, maar ze wìl niet’) en nog eens de 5e klas repeteren zag ik totaal niet meer zitten. Ik ging van school af en wilde werken. Het had wat moeite gekost, maar uiteindelijk was het tòch mijn vader die na veel strijd toegaf, zeer tegen de zin van mijn moeder. Hij wilde uiteindelijk niet hetzelfde doen als zijn vader en mij niet een richting opdwingen die ik niet opwou. Dankbaar dat ik van die rotscholen af was ging ik werken bij de AKO, op het Centraal Station, in de ploegendienst.

Ik had er plezier in, was omringd door boeken en tijdschriften, las veel in die tijd, het was een bruisende plek waar ‘van alles’ gebeurde en ik ging ook veel uit ’s avonds. Als de late avondploeg was afgelopen dan gingen we vaak met een paar collega’s de stad in om wat te drinken. Of ik ging alleen nog even naar een café in de Warmoesstraat waar ik een flirt had met de kroegbaas. Het leven was leuk en vrij. En toen leerde ik Lucio kennen en begon een nieuw hoofdstuk..

—>  volgende huis

12 Reacties op “Huizen en Hoven: ouderlijk huis

  1. Slik. Zoveel mooier als ‘ mijn stukskes’.
    John en Yoko vlak om de hoek… En zo’n Simon de Wit hadden wij ook in die tijd. Naast de Jamin op het Sint Liduinaplein. En dan die ‘Donald Duck man’. Zoiets verzin je niet. Je reinste Irving. Dat zeg ik…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s